Bevolkingsreconstructie Klerken 1686 (deel 2)

Voor de genealogische verbanden kijk je beste op mijn genealogische website met de pagina’s Genealogische bevolkingsreconstructie van Klerken-Houthulst voor de periode 1600 tot 1920. Deze pagina’s worden minstens eenmaal per jaar bijgewerkt.

In aflevering 1 hebben we reeds de hoofdmannen Jaeques Costenobel, Jan Osten en Fransois de Pestel en hun families besproken, en ook enkele van hun pachters. In deze aflevering starten we met een eerste reeks “notabele” families in Klerken in de periode 1680-1686. We hebben om te beginnen de overige notabelen die vermeld zijn in de inleiding van het Terrier zelf. Voor 1680 zijn dat Jaeques Odent, pointer, en Lowijs Coppë, setter. Voor 1686 vinden we er ook Lieven Van Hee, setter, Melchior Blanckaert, Jan Costenobel, Jan Bode, Jaeques Pannekoucke, Michiel Van Houtte, Lieven De Meijer, en Franchois Verhaeghe.

Notabelen uit de Parochierekeningen 1681 [1]

We kunnen dit lijstje aanvullen met namen van andere notabelen uit de Parochierekening van 1681, vermeld na de bijzondere gebeurtenissen van het jaar 1680-1681, die, zoals we later zullen zien, een blijvende impact hadden op de verdere ontwikkeling van de parochie tijdens het Ancien Régime.

Zoals eerder aangegeven, neemt het opstellen van het Terrier in 1680 een valse start. Dit komt vooral door problemen met de toen aanwezige Franse bezettingsmacht die het gezag over het Vrijbos zover mogelijk wil uitbreiden. Dat zint de boeren en andere bewoners van Klerken helemaal niet, want Klerken hoort bij het Land van den Vrije en dat valt buiten de bezette zone (de Kasselrij Ieper aan de andere kant van het Vrijbos). Zoals eerder aangegeven, ligt Klerken zowat in de verste uithoek van het Land vanden Vrije (zie hiervoor het eerdere bericht Klerken-Houthulst in 1686) . Meest dichtstbije gezagdragers zitten in Esen en Diksmuide, en het hoger gezag in Brugge of verder. Kasselrij Ieper speelde hier geen wettelijke rol, behalve dat, althans volgens de parochierekeningen, enkele jachtbeperkingen golden in de halve-mijlszone naast het Vrijbos. Maar orders van het Franse leger waren toch sterker dan dit alles.

Resultaat zijn onenigheden, en harde represailles van het Franse leger dat o.a. een groep van 20 notabelen van de gemeente afvoert naar Ieper, en later in Kamerijk in de gevangenis zet. De meesten worden na enkele dagen of hooguit twee weken vrijgelaten, maar de belangrijkste, – of waren het de rijkste twee? -, Melchior Blanckaert en Jaeques Costenobel, komen pas na 166 dagen terug thuis; dus na bijna een half jaar gevangenis/gijzeling. Voor de herwonnen vrijheid werd ook een forse contributie betaald door de hele Parochie, maar dat is een apart verhaal.

Volgende personen worden volgens de Parochierekening 1681 door de medeparochianen na hun terugkeer vergoed voor geleden vrijheidsverlies: Melchior Blanckaert, Jaeques Costenobel (zie hierboven), Antheunis Barbier, Pieter Lavae, Cornelis Bauden, Jan Aelbrecht, Fransois Verhaeghe, Jacob Cardinael, Jan Pottie, Jan van Overbeke, Balthazar Noez, Andries Florein, Simoen Hendrix, Lieven de Pape, Cristiaen vande Bussche, Jaeques Soens, Michiel van Houtte, Cornelis Bauden de jonge, Jaeques Bauden, Fs. Jacques, en Jaeques Spittebroot. De vergoeding was berekend naar rato van de duur van gevangenzetting (3, 6, 14 of 166 dagen) en de belangrijkheid van de notabele (4, 6 of 8 schellingen parisis daags). Voor directe materiële verliezen krijgen ook Cornelis Bauden, Jan Verslijpe, Fransois Verhaeghe (zie hierboven), en Andries Ameeus een compensatie uitbetaald.

Notabelen uit de Parochieregisters “begrafenissen 1681” [2]

Ter zelfder tijd was het jaar 1681 ook een rampjaar wat overlijdens van parochianen betreft. Het is nog niet duidelijk hoe dit te maken heeft met de Franse represailles, maar er is vast en zeker een verband. Maar ook een besmettelijke ziekte speelt zeker een rol. Het blijft tot zover onduidelijk wat de oorzaak was van deze lokale epidemie in 1681 die ruim 5% van de lokale bevolking wegmaaide. Samen met verschillende notabele boeren overlijden immers nogal wat van hun familiegenoten.

Het detail hiervan wordt later besproken, maar hier alvast een kort overzicht van de belangrijkste getroffen families: Jacobus van Haverbeke, Fs. Jacobus; Elisabetha vande Wiere, de echtgenote van Jacques Spetebroodt (zie hierboven); Jacques Odent (zie hierboven); Cornelia Coppée, getrouwd met Petrus Pauwels, een reeds gehuwde dochter van Louis Coppée (zie hierboven); Adrianus de Hoolander en zijn echtgenote; Catharina Bauden, echtgenote van Melchior Blanckaert, senior; Petronilla Lavae, de echtgenote van Nicolaus de Bruyne. En verder vier families afstammend van de reeds overleden Hendricus Demey: Judoca Demey en haar echtgenoot Nicolaus Dekeyn, Mechthildis Demey, gehuwd met Joannes Packet, Joannes Demey, gehuwd met Jacoba Mulier, en Gabriel Demey, gehuwd met Clara van Raes. Idem voor drie afstammelingen van Anthone Beauvois, met name Cornelia Beauvois, gehuwd met Petrus Vermeulen, Anthonia Beauvais, gehuwd met Franciscus Leyny, en hun schoonzuster Michaela Leroy, die weduwe is van hun broer Joannes Beauvois. En “last but not least” wat mij betreft, mijn eigen stam-grootvader en aanbrenger van mijn familienaam, Joannes de Bruijne, senior, jubilaris, en zijn echtgenote Joanna Leclaire, jubilaris (+ 1683). Buiten mijn voorvader en zijn echtgenote, en Catharina Bauden, die ouder waren dan 65-75 jaar, waren de andere overleden notabelen en familie eerder 30 tot 45 jaar. Allen zijn eigenaar of pachter van middelgrote tot grote boerderijen in Klerken.

Parochieregisters begrafenissen: “Op 9 augustus 1681 is Joannes de Bruijne, senior, jubilaris, overleden, voorzien van alle sacramenten, en hij werd op 10 augustus begraven in het Sint-Niklaaskoor van de kerk met een dienst van zes lezingen”

Een eerste reeks notabelen, hun familie, woonplaats en bezigheden, voor zover vandaag bekend

Tijd dus voor een meer gedetailleerd overzicht van die ruim 40 betrokken families, met een eerste selectie in deze aflevering van de bevolkingsreconstructie 1686. We hebben ze hier alfabetisch geklasseerd:

Jan Aelbrecht woont met echtgenote Judoca van Meenen op perceel N°201 net ten noorden de pastorie die toen aan de Stokstraat lag. Ze wonen in een hoeve en boomgaard aansluitend op de Stokstraat (vandaag Predikboomstraat 3) in Klerken centrum. Beiden zijn circa 65 jaar in 1686, en zijn na ruim 30 jaar huwelijk kinderloos gebleven. Ze pachten 10 percelen in dezelfde buurt, samen een kleine 9 ha land, en hebben dus wellicht knechten en meiden in dienst om dit te beheren.

Andries Ameeus woont met echtgenote Catharina vanden Bussche en een dochtertje op perceel N°129 in Klerken Centrum, dicht bij de kerk. Catharina vanden Bussche was eerder gehuwd met Guillielmus Igodt die begin jaren 1670 overleed. Ze wonen er in een huis met boomgaard gelegen tegen de Stokstraat (vandaag Predikboomstraat). Het paar pacht in totaal 7 stukken land in dezelfde buurt, samen een kleine 4 ha.

Kinderen Catharina vanden Bussche

Van de vijf kinderen Igodt zijn er zeker drie met verder afstamming. Deze kinderen erfden ook perceel N°526 van hun vader. Dit perceel is een halve ha groot, met een huis en boomgaard. Het ligt bij de Molenweg net naast de smidse van Caerel Lavae, aan Ter Smisse, bij de bocht van de huidige Klerkenstraat. In 1686 werd dit stuk gepacht door Jan Robbe, die zelf een paar percelen verder woonde.

  • De oudste zoon, Joannes Ygodt trouwt nog in 1686 met Egidia Dorothea Depoortere uit Esen. Het paar krijgt later 8 kinderen, waarvan drie met afstamming.
  • Dochter Geraldina Maria Ygodt was in 1684 gehuwd met Petrus Van Moerkercke uit Roeselare; geen bekende afstamming, tot zover.
  • Dochter Catharina Igodt huwt in 1689 met Laurentius Vanlerberghe uit Merkem; het paar krijgt minstens twee dochters in Klerken; geen verdere afstamming bekend.
  • Anna Ameeus, dochter van Andreas Meeus, huwt in 1699 met Jacobus Barbier, een zoon van Antheunis Barbier (zie hieronder). Het paar krijgt minstens vijf kinderen in Klerken, maar deze overlijden allemaal zeer jong.

Antheunis Barbier is afkomstig uit Roeselare. Omtrent 1668 huwde hij Petronilla Ghyselen, dochter van Joannes Ghyselen en Janneke Willaert (zie verder), een familie met al enkele generaties in Klerken. In 1686 zijn er minstens 5 van de 8 kinderen in leven; drie hebben bekende afstamming. Het paar woont eerst in Zarren en Roeselare, maar vanaf 1672 staat Antheunis Barbier als “tavernier” in de herberg De Drije Coninghen aan de oostzijde van de Stokstraat (vandaag Predikboomstraat) in het centrum van Klerken, gelegen op perceel N°206. Naast zijn herberg heeft Antheunis Barbier vast en zeker ook een landbouwbedrijf in werking. Zelf bezit hij in 1686 het perceel N°206 met de herberg, en ook perceel N°971, een betwist stuk bos van 3/4de ha aan het uiteinde van de Bouckhoutstraat (vandaag ter hoogte van het punt waar de Klerkenstraat en de Beukhoutstraat samenlopen) tegenaan het Bos van Houthulst, dat kort erop door de Franse Kroon werd opgeëist. Maar hij pachtte daarnaast nog 16 andere percelen landbouwgrond bij Klerken centrum, naast de herberg, maar ook richting Woumen en Esen, alles samen bijna 15 ha groot. Nog een broer en twee zusters van Antheunis Barbier, allen uit Roeselare, waren eerder of rond dezelfde periode getrouwd en komen wonen in Klerken en Zarren. Het is onduidelijk waarom deze familie naar Klerken kwam.

Kinderen van Antheunis Barbier

  • Van oudste dochter Joanna Barbier is verder niks bekend; ze is wellicht als kind overleden.
  • Haar broer Gisbertus Barbier, bijgenaamd ‘Ghyselen’ is blijkbaar nooit gehuwd, maar hij was wel doopheffer bij de geboorte van zijn neefje Gisbertus Joannes Barbier in 1714.
  • Catharina Barbier huwde in 1694 met Jacobus Joannes Devere. Samen hadden ze een zoontje Joannes Devere in hetzelfde jaar, maar in rampjaar 1695 overleed het hele gezin.
  • Broer Jacobus Barbier huwde in 1699 Anna Ameeus, dochter van Andries Ameeus, die al eerder aan bod kwam. Hun vijf kinderen overleden allen jong. Maar in 1711 huwde Jacobus Barbier een tweede keer, nu met Helena van Overbeecke uit Woumen. Uit dit tweede huwelijk werden nog zes kinderen geboren, waarvan minstens twee verdere afstamming hadden.
  • Antheunis Barbier, de zoon, trouwde maar liefst viermaal: eerst in 1702 met Jacoba de Vroe, Va. Guillielmus Cappaert, die kort erop in het kraambed stierf. Hij huwde een tweede maal in 1704 met Maria Heyse, die ook in het kraambed overleed, het volgende jaar. Het is onduidelijk of de kinderen uit deze eerste huwelijken overleefden. Het is ook onduidelijk of het onwettige kind Petrus Andreas Trioen afstamming kreeg; deze was in 1703 geboren als zoon van Maria Heyse en Marinus Trioen, die dan gehuwd was met de 48-jarige Brigitta Florein, weduwe van Melchior Blanckaert (zie hieronder). In 1707 volgde een derde meer succesvol huwelijk van Antheunis Barbier, de zoon, met Maria Petronella de Decker, de dochter van een familie met al enkele generaties in Klerken. Het paar krijgt acht kinderen, maar er is slechts afstamming bekend van één zoon; deze tak loopt wel door in Klerken tot 1900 en erna. Maar opnieuw slaat het noodlot toe, en in 1729 overlijdt ook Maria Petronella de Decker in het kraambed. En dus trouwt Antheunis Barbier, de zoon, een vierde maal, nu met Francisca de Roo uit Woumen, de weduwe van Abraham Noez, een zoon van Balthazar Noez, de oude of broer van Balthazar Noez, de jonge (zie hieronder); ditmaal zonder nog extra afstamming.

Jan Bode was al in 1653 gehuwd met Janneke Willaert. Het paar woont in 1686 in een hofstede gelegen op perceel N°209, gelegen oost van de Stokstraat (nu Predikboomstraat) en noord van de Vrijdagstraat (nu Smissestraat), waar in de jaren 1840 ook een molen stond. Ze bezitten in totaal 12 percelen land (7 ha), deels verpacht, en pachtten ook nog ander land. Hij gebruikte ook met Joos Ghyselen en de kinderen van Petrus Ghyselen, de jonge de Ter Laene molen [3].

Janneke Willaert was eerder gehuwd met Petrus Ghyselen, de jonge (later senior), die 1653 overleed. De Ter Laene molen was opgericht rond 1555 door Antonius Jansseune. De molen werd tijdens de geuzeninvallen van 1580-85 verwoest maar in 1611 heropgebouwd door Pieter Willaert, de oude, vader van Petrus Ghyselen, de jonge. De Ter Laene molen kwam dus via de familie Ghyselen bij de afstammelingen van Janneke Willaert terecht.

Janneke Willaert had vijf kinderen met Petrus Ghyselen, en nog drie met Jan Bode

  • De oudste zoon, Petrus Ghyselen, de jonge, huwde al in 1660 met Maria Boereman. Het paar woonde eerst in Klerken, maar verhuisde eind jaren 1660 naar Langemark. Ze hadden vijf kinderen, waarvan drie met bekende afstamming.
  • Oudste dochter Maria Ghyselen, trouwde in 1664 met Abraham Haetse, die toen nog koster was, en opvolger van zijn vader Abraham Haetse, de oude, die al van voor 1625 tot circa 1660 koster was in de Sint-Laurentiuskerk in Klerken. Het is niet bekend waar het gezin van Maria Ghyselen en Abraham Haetse woonde in 1680-86; zeker niet in de kosterij, maar wellicht in Klerken centrum. Ze hadden vijf kinderen, waarvan alleen voor het oudste kind, een derde Abraham Haetse, afstamming bekend is. Abraham Hatse, de jonge, werd in 1670 als koster vervangen door Andreas van Duyfhuys, die vanaf dan ook de job van schoolmeester op zich nam en hiervoor volgens de parochierekeningen een jaarlijkse vergoeding kreeg van 90 ponden parisis. Na 50 jaar en twee generaties Haetse als kosters, volgden toen 80 jaar en ook twee generaties van Duyfhuys als koster [4].
  • Dochter Petronilla Ghyselen was, zoals eerder besproken, gehuwd met de herberghouder Antonius Barbier, de oude.
  • Zoon Antheunis Ghyselen was gehuwd met Petronilla Contant, dochter van Guido Contant en Marie Claerebout, en voogd van de vijf minderjarige kinderen uit het tweede huwelijk van Guido Contant met Jacoba Syx (Seys). Guido Contact was in 1678 overleden. Het gezin woonde in 1686 op een hofstede met boomgaard op perceel N°527 naast de Noord Torhoutstraat (vandaag dicht bij Ter Smisse bij de aansluiting van de Molenweg op de Klerkenstraat). In totaal hadden ze zes percelen in bezit, net geen 2.5 ha; in totaal gebruikten ze, pachtgrond inbegrepen, bijna 4.5 ha grond. Antheunis Ghyselen had 8 kinderen samen met Petronilla Contant; drie hiervan hebben bekende afstamming.
  • Petronilla Boote, oudste dochter uit het tweede huwelijk van Janneke Willaert, huwde rond 1675 met Rochus Naeghels. Ze hadden een zoon in Zarren, met één generatie verdere afstamming in Klerken.
  • Haar zuster Jacoba Boote huwde rond 1675 met Jan Ghyselen, een telg uit de Ghyselen-familie, die rond 1680 overleed. Kort daarop huwde ze een tweede maal met Rogerius Declercq uit Staden. Ze had zes kinderen, drie uit elk huwelijk, waarvan één met bekende afstamming.
  • De jongste dochter Laurentia Boete huwde rond 1675 met Jacobus Barbier, broer van de andere Barbiers hiervoor besproken. Ze woonden ook dichtbij Ter Smisse, op perceel N°524 in een huisje staande op 98 roeden gepacht land (1445 m²), aan de toenmalige Slijpstraat (vandaag is dit de hoek Holleweg en Zarrenstraat). Ze hadden 10 kinderen, waarvan drie met bekende afstamming.

Melchior Blanckaert, de oude, zoon van Melchior Blanckaert, is in 1681 gehuwd met Cathelyne Bauden, dochter van Jan Bauden en verwant aan Cornelis Bauden hierboven. Cathelyne Bauden overlijdt begin mei 1681. Het paar kreeg vijf kinderen, waarvan twee met bekende afstamming (zie hieronder). Melchior Blanckaert, de oude, is bij de meer welstellende landbouwers en bestuurt al jaren mee de parochie. Hij woont in een (omwalde?) hoeve op perceel N°192 ten oosten van de Stokstraat (nu Predikboomstraat), wat noord van Klerken centrum. Samen met dit perceel bezit hij nog 10 andere percelen grond, samen bijna 9 ha groot. Hij heeft eigendommen gelegen tussen de Stokstraat en de Slijpstraat, maar ook een stuk bos en nog wat percelen in de buurt van het latere Hoogkwartier. Daarnaast pacht hij nog 5 andere percelen gelegen tussen Klerken en Woumen. Hij beheert dus samen bijna 16 ha land. In 1687 huwt Melchior Blanckaert, de oude, opnieuw, nu met Brigitta Florein, stammend uit een landbouwersfamilie met enkele generaties in Klerken. Het paar krijgt nog drie kinderen, waarvan één met bekende afstamming (zie hieronder)

Kinderen van Melchior Blanckaert, de oude

  • De oudste dochter Catharina Blanckaert is al rond 1675 gehuwd met Joannes Traen uit Esen. Ze pachten een stukje grond waar een huisje op staat, gelegen tegenaan de Steenstraat, ten Westen van de Stokstraat, en pachten nog een extra stukje grond van vader Melchior Blanckaert een beetje verder gelegen Oost van de Stokstraat (nu Predikboomstraat). Ze hebben vijf kinderen, waarvan drie vóór 1686, die allen gedoopt zijn in Esen; de oudste dochter heeft afstamming in Werken. Het lijkt er dus op dat ze noord van de Steenstraat woonden, in Esen zelf.
  • Zoon Melchior Blanckaert, de jonge, pacht zelf 15 percelen land, samen bijna 12 ha groot. Hij woont met echtgenote Petronella Verduyn op een hoeve met boomgaard op perceel N°478, gelegen Oost van de Slijpstraat, tegenaan de grens met Esen. Petronella Verduyn is de dochter van de reeds overleden Marinus Verduyn en diens tweede echtgenote Joanna Wackenier, die als weduwe heel wat landerijen van haar man beheert in Klerken, maar ook in Zarren en wellicht nog meer. Na het overlijden van Petronella Verduyn in 1690, huwt Melchior Blanckaert, de jonge, een tweede keer, nu met Petronella Costenobel, een nichtje van Jacobus Costenobel (zie hierboven). Uit de twee huwelijken worden 10 kinderen geboren. Enkel van zoon Melchior Blanckaert is afstamming bekend in Lampernisse. Dit is de vijfde Melchior Blanckaert in opeenvolging; hij had ook een oudere halfbroer met dezelfde voornaam, maar deze is wellicht als kind overleden.
  • Zoon Alexander Blanckaert huwt in 1716 met Maria Catharina Eeckelaere uit Sint-Jacobskapelle, waar hij gaat wonen; geen verdere afstamming bekend.

Cornelis Bauden uit Esen, is begin jaren 1650 gehuwd met Maria van Haelewyn. Voor dit gezin is geen woonplaats bekend in Klerken 1686, maar we mogen veronderstellen dat ze eerder bij Klerken centrum, of dichtbij in Woumen of Esen woonden. Het gezin had zeven kinderen, waarvan tot nu enkel voor de oudste zoon afstamming is gevonden.

  • Deze zoon, Jacobus Bauden, was in 1682 gehuwd met Petronella Spinnewyn uit Woumen, waar ze drie kinderen kregen. Misschien is deze Cornelius Bauden ook dezelfde die in 1652 nog een kind had met Maria Vlaminck in Esen; maar dit kon niet bevestigd worden.

Ook voor Cornelis Bauden, de jonge en Jaeques Bauden, Fs. Jacques geldt dat ze eerder in Esen wonen. Niemand van de families Bauden bezit, gebruikt of pacht landbouwgrond in de parochie Klerken in 1686.

Hiermee sluiten we dit tweede deel af. De tussenstand na bespreking van enkele van de hoofdmannen (zie deel 1), en 10 van de 40 geïdentificeerde “notabelen”: 44 geïdentificeerde volwassen bewoners van Klerken, samen met 44, misschien wel 86 kinderen thuiswonend. Het grote verschil in het aantal kinderen volgt uit de onzekerheid over kindersterfte, waarvan geen spoor terug te vinden is in de begrafenisakten. Uiteraard waren er ook een onbekend aantal knechten en meiden. In deel 3 gaan we verder met de selectie “notabelen”.


[1] Rijksarchief Brugge INV 15-16 – 2497

[2] Rijksarchief te Brugge – 9999/998 – 9000_000_00418_000_0_0001_r

[3] Later werd dit zie Vandamme’s molen https://www.molenechos.org/verdwenen/molen.php?nummer=3377

[4] Zie ook mijn publicatie Ludovicus Romeyn of Romanus Lowys? Wat was de correcte familienaam in Vlaamse Stam, 56, 2020, 426-431


Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s