Bevolkingsreconstructie Klerken 1686 (deel 3)

In aflevering 1 en 2 hebben we al 10 van de 40 geïdentificeerde “notabelen” besproken. Naar raming vertegenwoordigen ze samen 44 volwassen bewoners, en tussen de 44 en 86 thuiswonende kinderen en adolescenten, en een niet geïdentificeerd aantal knechten en meiden. In dit derde deel gaan we verder met de selectie “notabelen”, opnieuw elk op zich bijzondere gezinnen. We komen ook tot enkele tussentijdse conclusies.

Jaecques Cardinael woont in 1686 met echtgenote Judoca De Poortere en vijf dochters, en één of twee zoontjes. Ze pachten een van de kleinste percelen van de parochie toebehorend aan de Dis, de parochieorganisatie ter ondersteuning van behoeftigen en armen. Perceel N°35 is slechts 14 roeden groot, d.i. 206 m². Het ligt in het centrum van Klerken, waar vandaag de inrit ligt van de personeelsparking van De Vleugels, de aansluiting van Kerkenplein op de bocht van de Dorpsstraat.

Waar Jacob Cardinael vandaan komt is niet gekend. Judoca de Poortere is een dochter van Livinus de Poortere en Godeliva Bricx een familie met meerdere afstammelingen in Klerken in die periode.

Kinderen van Jacobus Cardinael en Judoca de Poortere

Van de zeven gekende kinderen overlijden de twee oudste dochtertjes kort na elkaar in 1687. Ook van de twee zoontjes is geen afstamming bekend. Maar de andere drie dochters huwen alle drie in Klerken. Anna Maria Cardinael huwt in 1694 met Jacobus Burgo uit Klerken; dit paar krijgt vier kinderen. Na haar overlijden in 1703, huwt Jacobus Burgo opnieuw met Jacoba Ryckaerts uit Keiem of Sint-Pieterskapelle. Maar ook zij overlijdt een paar jaar later, kort na de geboorte van een dochter. Er is geen verdere afstamming bekend voor deze vijf dochters.

Petronella Cardinael huwt in 1699 in Esen met Paulus de Clerck; ze krijgen er een zoontje. Na het overlijden van haar man in 1701, huwt ze een tweede keer, nu met Jacobus Vanheule uit Beveren (a/d IJzer). Het huwelijk was in Klerken, waar ze blijkbaar intussen weer woonde. Er wordt nog een dochtertje geboren in 1704. Petronella Cardinael overlijdt in juni 1709, dat is in de periode van de hongersnood die volgde op de extreem koude winter die van eind 1708 duurde tot in mei 1709. Geen verdere afstamming bekend.

Jacoba Cardinael tenslotte huwt in 1704 met Joannes Caestecker uit Esen. Geen verdere afstamming bekend.

Lowijs Coppë is al omtrent 1650 gehuwd met Cathelyne Legrand, weduwe van Jan Carpentier uit Woumen. Ze hebben vijf kinderen, waarvan de jongste zoon reeds voor 1682 overleden is. Cathelyne Legrand overlijdt in december 1681. Er zijn nog twee ongehuwde kinderen thuis op de hoeve gelegen op perceel N°577; dit ligt zuid van de toenmalige Noord-Torhoutstraat (vandaag Molenweg), iets ten noorden van de huidige Vredesmolen. In die buurt pachtte Lowys Coppé alles samen ruim 25 ha land, zaailand, en meers; deels ook meer noord richting Esen en Zarren gelegen; en zelfs een meers gelegen aan de Torhoutstraat (perceel N°1009, vandaag een deel van kadaster perceel N° 0102/00_000). Hij was dus een van de grotere boeren in Klerken in1686. Hij is zelf setter in 1680, en dus ook bij het dagelijks bestuur van de parochie betrokken. Enkele van zijn kinderen huwen met leidinggevende landbouwers in Klerken.

Kinderen van Lowys Coppé en Cathelyne Legrand

De oudste dochter, Joanna Coppez huwde al voor 1675 met Fransois Jaco, die uit Woumen of Diksmuide kwam. Het paar gaat in Woumen wonen, waar ze vier zonen krijgen. Franciscus Jaco huwt in 1684, kort na het overlijden van Joanna Coppee, met Adriana Wybo uit Esen; er volgen nog drie zonen.

Cornelia Coppez huwt omtrent 1680 met Petrus Pauwels uit Zarren. Cornelia Coppez overlijdt in 1681 enkele maanden na de geboorte van haar enig zoontje. Petrus Pauwels huwt kort erop een tweede maal, met Maria vande Casteele, die al in 1683 overlijdt. Hij huwt in 1684 een derde maal, nu met Isabella Thecla Chevallier uit Klerken, de dochter van Fransois Chevallier, herbergier in herberg de Cavaillier gelegen op perceel N°222 bij de toenmalige Vrijdaghstraete (zie figuur hierbove: vandaag de hoek van de Smissestraat en de Predikboomstraat; het gezin van Fransois Chevallier wordt later besproken). Er worden de volgende 24 jaar tien kinderen geboren, waarvan twee met intussen bekende afstamming. In 1686 woont Pieter Pauwels met vrouw en een of twee kinderen op perceel N°319 in een “behuijsde hofstee met boomgaert”. Hij pacht alles bijeengenomen 16 percelen land en grasland, samen ongeveer 13 ha groot, waarvan ruim 1 ha in onverdeeldheid met Jan Bracke.

De derde dochter, Catharina Ludovica Coppez huwt in 1684 met Jacobus Vanhoove, ook een landbouwer, zoon van de reeds overleden Passchasius van Hove en Catharine Six. Het gezin woont in 1686 op perceel N°618 met een hofplaats met boomgaard, waar huis en stallen op staan. Dit is gelegen ten oosten van de huidige Molenweg, richting Esen. In totaal pachten ze 19 percelen, samen ruim 16 ha land, meers, en zaailand. Er worden 9 kinderen geboren tussen 1688 en 1700, waarvan enkel de oudste dochter bekende afstamming heeft; deze zet wellicht in 1710, na het overlijden van beide ouders, het landbouwbedrijf verder, samen met haar man Nicolaus Dominicus de Clercq.

De enige zoon, Nicodemus Coppé huwt in 1688 met Emerentiana Tonneeuw, die het jaar erop overlijdt, een half jaar na de geboorte van een zoontje. Nicodemus Coppé blijft weduwnaar en overlijdt in 1694.

Jan Costenobel is een broer van de eerder besproken Jacques Costenobel (zie deel 1), beiden zoon van Franchois Costenobel de stamvader van heel wat Costenoble die kort na 1605 landbouwbedrijven uitbaten in de streek. Jan Costenobel is in 1663 gehuwd met Cristina Amery, vermoedelijk een afstammelinge van de Amery die in 1640-45 in Woumen wonen. Jan Costenobel is ook bij de opdrachtgevers/notabelen van Klerken die bij de introductie van het Terrier worden vernoemd. Het gezin woont met minstens 8 kinderen in een hoeve met boomgaard en singel(gracht) op perceel N°151 tegenaan de Steenstraat en Esen (vandaag Steenstraat N°26-28). Ze bezitten ruim 9 ha grond, verdeeld over 9 percelen, en pachten nog ruim 6 ha extra, verdeeld over nog 6 percelen. Er zijn 12 kinderen geïdentificeerd, geboren van 1664 tot 1688, waarvan 7 met verdere afstamming.

De kinderen van Jan Costenobel en Cristina Amery huwden allemaal in Klerken:

In 1690 huwt oudste zoon Joannes Costenoble met Veronica Rodts, dochter van de reeds vóór 1680 overleden Philippus Rodts en Tanneken Pauwels, landbouwers in Klerken. Er volgen 6 kinderen waarvan enkel dochter Felicita Costenoble verdere afstamming heeft na een huwelijk met Joannes Laleman.

In 1689 huwt de tweede zoon, Balthasar Costenobel met Anna Rodts, zuster van Veronica Rodts hierboven. Dit paar krijgt 7 kinderen, waarvan minstens 4 met verdere afstamming.

De oudste dochter Petronella Costenobel trouwt in 1691 met de weduwnaar Melchior Blanckaert, de jonge, die reeds eerder werd besproken (zie deel 2).

Dochter Christina Costenobele trouwt in 1690 met Jacobus de Neckere uit Kortemark, die kort daarop ook de Ter Laene molen uitbaat. Ze krijgen 7 kinderen, waarvan vier met bekende afstamming.

Een jongere zoon, Petrus Franciscus Costenobel, huwt in 1699 met Veronica Seys dochter van Andreas Seys en Maria Ghyselen, landbouwers uit Zarren. Ze gaan in Zarren wonen, en krijgen er 8 kinderen waarvan minstens 1 met verdere afstamming.

In 1700 huwt de volgende dochter Maria Costenobele met Jacobus Bonte uit Geluwe. Dit landbouwersgezin krijgt 7 kinderen in Klerken, waarvan geen verder afstamming bekend is.

Joanna Costenobel, de jongste dochter tenslotte, huwt in 1706 met Joannes Dinghels uit Esen. Ze gaan in Esen wonen en krijgen er 3 kinderen; geen verdere afstamming bekend.

Jan de Bruijne, senior, is mijn stam-grootvader en naamgever. Hij was gehuwd met Joanna Leclaire. Het is na 30 jaar genealogisch onderzoek nog niet gelukt deze Debruyne-stam te koppelen aan andere stamreeksen Debruyne zoals die sinds 1200 in het Ieperse, Brugse en Gentse wonen. Ook is er nog geen verband gevonden met een Debruyne stamreeks, die begin 17de eeuw ontstaat in Werken-Bovekerke; ook zijn er enkele (niet verwante) Debruyne’s met verwijzing naar Zarren in die periode. Joanna Leclaire zou afkomstig kunnen zijn uit Zarren, maar ook dit kon nog niet eenduidig worden aangetoond.

In mei 1640 woont Jan de Bruijne, senior (met zijn familie) in Klerken, maar in mei 1645 vinden we hem terug in Esen. Daar is hij telkens present bij de Wapenschouwijnghe der Weerbaere Mannen. In Klerken heeft hij in 1640 een “pycke ende capper” bij (Krant VVF Brugge 41 (2009) 71-72, 44 (2012) 67-68, en 45 (2013) 17-18). Na 1660, misschien al eerder, woont hij zeker terug in Klerken.

De vermelding van Jan de Bruijne bij de Wapenschouwijnghe der Weerbare Mannen in Klerken op 12 mei 1640 (Rijksarchief te Brugge – TBO 142 – 333 /3)

Bij hun overlijden krijgen beide stam-grootouders het epitheton “jubilaris”: Jan de Bruijne, senior overlijdt in 1681, en Joanna Leclaire in 1683. Dezelfde toevoeging is tijdens het Ancien Régime in Klerken enkel nog te vinden voor het echtpaar Jacobus Callewaert X Godelieve Pauwels, die op 12 mei 1748 met de hele parochie in een solemnele viering hun 50-jarig Gouden huwelijksjubileum vieren. Een dergelijke viering is nog niet teruggevonden voor Jan de Bruijne, senior, X Joanna Leclaire, maar uit huwelijksdata van de kinderen, en hun overlijdensdatum, kan worden afgeleid dat ze omtrent 1630 gehuwd kunnen zijn. Gouden jubilea waren vóór 1800 en zelfs vóór 1900 uitzonderlijk. Voor de periode 1650-1800 vinden we slechts 1, misschien dus 2 gouden jubilea op een totaal van meer dan 1200 huwelijken in Klerken. Jan de Bruijne, senior en Joanna Leclaire worden elk met een dienst met zes lezingen begraven, vooraan in de toenmalige kerk van Klerken, vóór het altaar in de Sint-Niklaas-beuk.

In 1686 wonen twee zonen, Jan de Bruyne en Pieter de Bruyne, met hun gezin op perceel N°1012, een perceel van ruim 17 ha groot, gelegen aan het einde van de toenmalige Stokstraat en begrensd door een stuk van de toenmalige Groenestraete, tegenaan het Vrijbos. Vandaag vinden we dit perceel ten oosten van de Stokstraat en ten noorden van de Schoolstraat, met een centraal gelegen bewoning op Stokstraat 74; op de Ferrariskaart uit 1774 staan de huizen ter hoogte van huidig adres Stokstraat 72. Ze pachtten het land van Jonker Paulus du Satelle uit Ieper, wiens afstammelingen dit stuk ook in 1798 nog in eigendom hebben. Een andere zoon, Claeys de Bruyne woont dichtbij op perceel N°1014; de families van hun zusters Joanna de Bruyne (al vóór 1666 overleden), Laurentia De Bruyne en Catherine de Bruyne wonen wat verder op percelen N°719, N°1003 en N°1005.

Er staan in 1686 drie huizen op perceel N°1012, wellicht het originele huis van mijn stam-grootvader en de woningen van de families Jan de Bruyne en Pieter de Bruyne. Verder omvat het perceel “een hof, boomgaert, saeylandt, vijfvers ende veldt, vanouds ghenaempt de Wilde Vijfvers” (veldt = bos). Het ligt deels braak en wordt slechts op de helft belast. Aan de overkant van de Stokstraat ligt hoofdzakelijk bos, o.a. het Craeyelst bos, met verschillende eigenaars, o.a. Gelaude de Bruyne, een niet-verwante landeigenaar (zijn nakomelingen uit 1798 wonen in Brugge en Gent).

Ten zuiden, over de Groenestraete (vandaag Schoolstraat; het dubbel streepje onderaan perceel N°1012 hierboven), ligt in 1686 het grote Vrijbos, wellicht toen nog zonder verdere afpaling, en dus lag dat ook hier open voor “vrije uitbating” door de nabije bewoners. Kort na 1686 werd deze slecht gedefinieerde grens onder bevel van het Franse Koninkrijk aangepakt, en werden verkeerd geclaimde percelen bij het Vrijbos gevoegd. In 1694-95 werden de boeren en eigenaars die grond verloren hiervoor ook financieel gecompenseerd. Maar deze grenscorrecties speelden meer oostwaarts, waar vandaag de kern van Houthulst ligt. Ze hadden geen effect op deze percelen, en evenmin op het naastliggende ruim 52 ha grote perceel N°1007 (zie ook verder), waarvan ook vandaag nog de onderste 25 ha als een geheel landbouwgrond vormen (met uitzondering voor het hoekje gebruikt voor de Sint-Christoffelkerk; rechts onderaan).

De exacte geboortevolgorde van de kinderen van Jan de Bruijne, senior en Joanna Leclaire is niet bekend. Ze werden allen samengebracht op basis van tientallen getuigen- en doopheffer-verbanden zoals teruggevonden in de parochieregisters van Klerken, voor hun kinderen en andere afstammelingen. Er zijn op deze manier zes kinderen samengebracht, waarvan vijf gehuwd. We bespreken ze alle zes, eerst de dochters, die weinig of geen afstamming hebben, en dan de zonen, die stamvaders werden van de zeer vele Debruyne’s in Klerken, Houthulst en omgeving, die intussen ook over de hele wereld zijn verspreid. Vandaag zijn dat bvb, naar raming, ruim 10% van alle Debruyne’s in België.

Kinderen van Jan de Bruijne en Joanna Leclaire

Eerst is er Joanna de Bruyne die in 1662 huwt met Joannes Kyndt. Ze overlijdt vóór 1666, want haar man huwt dan een tweede keer met Christijncken Mergaert. Er is slechts één zoon bekend en die is in 1686 nog ongehuwd. Joannes Kyndt is de zoon van notabele landbouwer Robertus Kyndt, die in 1680 overleed, en van Maria Bogaert, die dan nog in leven is. Zijn broers en zusters zijn allemaal gehuwd en actief als landbouwers. Zelf bezit Joannes Kyndt zes percelen, ruim 5 ha groot, en pacht hij er nog acht percelen bij, alles bijeen een kleine 10 ha. Hij woont op perceel N°719 op een hofstede met boomgaard. Dit perceel ligt oost van de Bouckhoutstraat (vandaag Beukhoutstraat 55).

Laurentia de Bruyne is kort na 1679 gehuwd met Lucas Tytgadt. Die is, voor zover bekend, uit Gits afkomstig (in het Terrier van 1686 staat hij verkeerdelijk vermeld als Tyteca). Lucas Tytgadt was eerder, in 1663, gehuwd met Jacoba Pieters. Na het overlijden van Laurentia de Bruyne in 1684, huwt Lucas Tytgadt in 1686 een derde maal, nu met Maria Willeman, vermoedelijk uit Zarren of Esen. Het paar woont op perceel N°1003, naast perceel N°1004 waar Passchalia de Lavae, de weduwe van zijn broer Franchois Tytgadt woont. Beide percelen liggen ten oosten van het grote perceel N°1007 ter hoogte van de toenmalige Seughedreve (dit stuk is vandaag de Vijverstraat 91; de toenmalige Zeugedreve is vandaag de Zegestraat, en werd naar het zuiden verlengd). Er wonen hooguit enkele kinderen uit het eerste huwelijk van Lucas Tytgadt, en misschien ook het enige zoontje uit zijn huwelijk met Laurentia de Bruyne. Maria Willeman overlijdt in 1689, een klein jaar na de geboorte van haar enige zoon. Lucas Tytgadt overlijdt zelf in 1696. Er is enkel afstamming bekend van een dochter uit zijn eerste huwelijk.

Om nog niet gekende reden woont Catharine de Bruyne, dochter van Jan de Bruijne, senior, alleen op perceel N°1005, gelegen aan de Seughedreve naast de woning van haar zwager Lucas Tytgadt, en naast dat van diens schoonzuster. Ze pacht nog een tweede stuk land, perceel N°931 gelegen oost over de Seughedreve net ten noorden van de toenmalige grens van het Vrijbos. Er is geen vroegere echtgenoot bekend voor Catherine de Bruyne; er zijn ook geen afstammelingen.

De familie Tytgadt is erg verweven met Klerken in 1686. Zo is er ook nog een zuster, Joanna Tytgadt gehuwd met Jooris Paesschesoone. Ze wonen wat verder aan de Seughedreve op perceel N°923, net ten noorden van de toenmalige grens van het Vrijbos, en pachtten nog drie extra percelen, inbegrepen N°1006 gelegen naast de percelen N°1003-1005 hierboven. Dit gezin had negen kinderen, met zeker de oudste zoon nog in leven in 1686; van de overige kinderen is geen afstamming bekend. Nog een andere zuster, Petronilla Tytgadt, was met Joannes de Bruyne gehuwd (zie lager).

Jan de Bruyne en Pieter de Bruyne wonen dus op het 17 ha grote perceel N°1012 naast de Stokstraat, net ten noorden van het Vrijbos, ervan gescheiden door een stuk van de Groenestraete die toegang verleent naar het nog grotere perceel N°1007 dat ten oosten ervan ligt (zie figuur hoger in de tekst).

Joannes de Bruyne, junior (na 1685: senior), huwde een eerste keer in 1661 met Christina de Harre. Het paar kreeg vier kinderen; de moeder overleed omtrent 1667. In 1668 huwt Joannes de Bruyne, junior een tweede keer, met Petronilla Tytgadt, met grote waarschijnlijkheid ook een zuster van de eerder vermelde Tytgadt. Van dit tweede huwelijk zijn acht kinderen bekend, waarvan twee geboren na 1686. Bij het afronden van het Terrier in 1686 waren er minstens 7 kinderen in leven, en ongehuwd, misschien zelfs 9. Van acht van de 12 kinderen is verdere afstamming bekend: voor Joannes de Bruyne, junior, kunnen we 60 kleinkinderen identificeren, waarvan 31 ook verdere afstamming hebben.

Zelf stam ik af van Pieter de Bruyne die in 1674 een eerste keer huwt met Petronilla (du) Verlie uit Alveringem. Er worden vóór 1686 vier kinderen geboren, en één kort erna. Het oudste kind overlijdt zeer jong. Na het overlijden van Petronilla Verlie in 1691, huwt Pieter de Bruyne met Maria Magdalena (du) Moleyn, die ook uit Alveringem stamt. Er volgen nog drie kinderen. In 1686 wonen ze er dus met drie kinderen. Van de zeven kinderen hebben er zes afstamming: we kunnen 41 kleinkinderen identificeren voor Pieter de Bruyne, waarvan 18 met afstamming.

Ik stam af van hun zoon Nicolas de Bruyne die in 1686 twee jaar oud is, en in 1712 huwt met Alexandrine Crabbe uit Langemark. Hun enige zoon, mijn oud-overgrootvader Winocus de Bruyne is in 1713 in Klerken geboren. Hij wordt in 1716 volle wees: zijn moeder Alexandrine Crabbe overlijdt in 1715; zijn vader Nicolas de Bruyne in 1716. De omzwervingen van Winocus de Bruyne, en zijn terugkeer naar Klerken zijn een apart verhaal.

Een laatste zoon is Claeys de Bruyne, die in Esen is geboren, wellicht rond 1645 toen zijn vader daar present was bij de Wapenschouwing der Weerbare Mannen (zie hoger). Hij huwde kort voor 1675 met Catharina Allaerts. Er volgen drie kinderen. Catharina Allaerts overlijdt in 1680. Claeys de Bruyne huwt hetzelfde jaar een tweede keer, met Petronilla Lavae, wellicht een verwante aan de eerder beschreven Lavae; Petronilla Lavae overlijdt in 1681, zonder nakomelingen. Claeys de Bruyne huwt een derde keer, in 1681-82 met Susanna van Dorpe, dochter van Judocus van Dorpe en Joanna Sambaere, landbouwers uit Woumen. Er zijn nog twee kinderen met afstamming bekend uit dit derde huwelijk, waarvan de jongste geboren is in 1688. In 1686 woont Claeys de Bruyne schuin over zijn beide broers aan de overzijde van de Stokstraat, en tegen de Zuid Torhoutstraat op perceel N°1014 in de gepachte hoeve “ghenaempt Cleen Blancheval” met een boomgaard (vandaag Zuid-Torhoutstraat 3), en nog extra gepacht land op perceel N°1013 naast de hoeve, en perceel N°126 aan de overkant in de bocht van de Zuid Torhoutstraat met de Stokstraat. Claeys de Bruyne heeft in totaal vijf kinderen, waarvan vier met verdere afstamming: we identificeren 26 kleinkinderen, waarvan 8 met bekende afstamming.

Tot zover dit uitgebreide overzicht van de de Bruyne’s, en hun gezinnen en landgebruik rond 1686. In totaal identificeren we 128 achterkleinkinderen van Jan de Bruijne, senior, en Joanna Leclaire. 127 hiervan zijn naamdrager Debruyne, en daarvan zijn er minstens 57 met verdere afstamming. Zij vormen de basis van het grote aantal rechtstreekse afstammelingen Debruyne en uiteraard van veel andere familienamen, die we ook nog vandaag in Klerken-Houthulst terugvinden.

Vooraleer we dit derde deel afsluiten, alsnog enkele andere notabelen:

Adrianus de Hoolander was omtrent 1670 gehuwd met Catharina Lamon. Het is niet bekend waar ze vandaan kwamen, maar ze krijgen vijf kinderen in Klerken, en worden in 1680 bij de notabele boeren gerekend. Beiden overlijden binnen een paar dagen in april 1681, samen met nog een van hun kinderen. In 1686 wonen de resterende kinderen wellicht bij hun voogd Rogier van Severen, die na een eerste huwelijk met Catharina Swaels, rond 1680 gehuwd is met Clara Lamon, de zuster van Catharina Lamon. Uit dit tweede huwelijk van Rogier van Severen zijn zes kinderen geboren, waarvan drie voor 1686; één kind is kort na de geboorte overleden in 1683. Zijn eerste echtgenote Catharina Swaels was eerder gehuwd met Judocus Osten die in 1675 overleed, en nog vier minderjarige kinderen naliet; twee waren al begin 1660 overleden. Er woonden dus maximaal zes kinderen, of negen, als we de nog niet gehuwde kinderen uit het eerste huwelijk van Catharina Swaels meetellen. Ze woonden op hun hoeve met “hofplecke ende boomgaert” gelegen op perceel N°713 aan de Slijpstraat (zie figuur hierboven; vandaag is dit Slijpstraat 15). Het gezin pachtte nog 19 andere percelen in de buurt, en bewerkte, alles bijeengenomen, circa 20 ha land en meers. Er is geen afstamming bekend van deze twee families.

Lieven de Meyer was wellicht kort na 1670 gehuwd met Joanna Dumez. Hij was de zoon van Nicolaus Demeyere en Jacoba Rodts, een Klerkense landbouwersfamilie. Zij was dochter van Guille Du Mez en Joanna Haetsse, dochter van de eerder besproken Abraham Haetse, een andere notabele landbouwersfamilie. Er worden zeven kinderen geboren, waarvan één na 1686. De meesten overlijden voor ze 5 jaar oud zijn. Joanna Dumez overlijdt in 1688; Lieven de Meyer overlijdt in 1691, het jaar dat hij Hoofdman was van de parochie Klerken. Volgens de Staat van Goed die pas jaren later werd opgesteld bleven enkel de twee jongste kinderen in leven.

Nu was Lieven Demeyer in 1680-1686 wel de landbouwer met de meeste ha land onder zijn beheer. Hij pachtte niet alleen het bijna 52 ha grote perceel N°1007 (zie kaart hierboven) waar hij ook woonde (vandaag de hoeve gelegen op Torhoutstraat 14), maar had ook nog ruim 5 ha, deels in mede-eigendom, verdeeld over een vijftal percelen in de buurt. Perceel N°1007 was eigendom van het Clooster van Gallileijen binnen Ghendt (het Klooster van Onze-Lieve-Vrouw van Galilea werd kort voor de Franse Revolutie opgeheven in 1783, onder Jozef II; de Priorij ervan staat in Hoogstraat 19, Gent). De hoeve die erop stond was “ghenaempt de Groote Brasserie”, wat erop wijst dat er ook bier werd gebrouwen. Verder omvatte dat perceel een “hof, boomgaert, saeijlandt, busschen, meersch, velt ende vijfvers” met uitlopers oost aan de noordzijde, en een uitweg via de Groenestraete aan de zuidzijde tegen het Vrijbos en tegen perceel N°1012 (zie ook hierboven). Het was dus gemengd gebruik, met land, meers, vijvers en bos, en bijgevolg slechts gedeeltelijk belast, met name voor 51 gemet (22 ha) van de beschikbare 116:2:63 gemet (51.7 ha).

In 1794 werd het grootste deel van het bos op de Groote Brasserie gerooid door de nieuwe pachter Lieven Van Hee die later aan bod komt samen met zijn broer Joos van Hee, een andere oud-hoofdman. Op de verkoop van het hout betaalde hij 144 ponden parisis belasting. Het belastingtarief was toen een 5de penning , d.i. 20%, dus de totale waarde kan geraamd worden op 720 ponden parisis.

Judoca De Meyere, een zuster van Livinus De Meyere, huwde kort na 1680 met Guillielmus Dumez, een broer van Joanna Dumez. Ze krijgen twee zoontjes, waarvan de jongste, geboren in 1688 al jong overlijdt. De oudste, Franciscus Dumeez geboren in 1685, erft alles van zijn ouders, die kort na elkaar overlijden in maart en april 1690. Dit gezin baat ook een groot landbouwbedrijf uit in 1686, en woont op perceel N°909 op een hofstede met boomgaard, gelegen noord en oost van het toenmalige Musselstraetjen (dit stemt wellicht best overeen met huidig kadasterperceel 071B tussen de Zegestraat, Vijverstraat en Klerkenstraat (nu onbebouwd).

Voogden van de kinderen uit deze twee gezinnen waarvan de ouders begin jaren 1690 overlijden zijn Cornelis Cheys, een zwager van beide Demeyer’s, en Pieter Haetse, junior, een kleinzoon van Abraham Haetse. Maar zij worden later besproken.

Een korte stand van zaken, en enkele tussentijdse conclusies om dit derde deel af te sluiten:

We hebben intussen 67 volwassenen en hun woonplaats geïdentificeerd, en ook 65 tot 131 kinderen en adolescenten, samen dus 130-200 inwoners, dit zonder een onbekend aantal boerenknechten en -meiden. We zien dat boerenzonen huwen met boerendochters, en omgekeerd, en dat de meesten ook behoorlijk grote oppervlakten bewerkten en ontwikkelden. Dat is de stabiele factor in de situatie 1686.

Anderzijds is het ook duidelijk dat plotseling overlijden niks bijzonders was in de 17de eeuw, en zeker niet voorbehouden voor enkel de min-vijfjarigen, kinderen of adolescenten. Het noodlot kon even snel toeslaan voor volwassenen, inbegrepen de notabele landbouwers. Mijn stam-grootouders Jan de Bruijne en Joanna Leclaire zijn in de besproken reeks bij de weinige uitzonderingen. Voortijdig overlijden is de belangrijkste verstorende factor in die periode, en deze factor werd nog versterkt door de zeer onrustige omstandigheden met oorlogstoestanden. Kortom: weinig zijn uitverkoren voor een lang leven.

Maar er werden meestal veel kinderen geboren binnen elk huwelijk, wat compenseerde voor de hoge kindersterfte. Weduwnaars en weduwen met of zonder ruime kinderlast huwden ook bijna altijd opnieuw, vaak binnen enkele maanden tot een jaar na het overlijden van de echtgenote of echtgenoot. Dit compenseerde dan de nood om het eigen gezin en eventueel dat van de nieuwe echtgenoot te helpen overleven en te onderhouden.

Bij volgende aflevering gaan we verder met de bespreking van de eerder gedefinieerde notabelen.


Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s